/

logo warenwet

Warenwetbesluit Kruidenpreparaten: een update

Op 23 maart is een update van het Warenwetbesluit Kruidenpreparaten gepubliceerd. Hierin staan een aantal belangrijke wijzigingen.

In het vernieuwde Warenwetbesluit Kruidenpreparaten is artikel 4, lid 2 uitgebreid. Daarin staat dat kruidenpreparaten de volgende stoffen niet meer mogen bevatten:

1 Aconitine of derivaten hiervan
2 Aristolochiazuren of derivaten hiervan
3 Atropine of derivaten hiervan
4 Colchicine of derivaten hiervan
5 Hyoscyamine of derivaten hiervan
6 m- of o-synefrine of derivaten hiervan
7 Olie uit Artemisia absinthium
8 Pilokarpine of derivaten hiervan
9 Scopolamine of derivaten hiervan
10 Strychnine of derivaten hiervan
11 Yohimbe-alkaloiden of derivaten hiervan

Bovendien zijn de volgende stoffen naast pyrrolizidine-alkaloiden (1 mcg/kg plantenmateriaal) gemaximeerd:

  1. maximaal 27 mg p-synefrine per dag in een kruidenpreparaat (met Citrus aurantium).
  2. maximaal 0,4 g olie uit de zaden van Ricinus communis per dag.
    Tot slot zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd in Bijlage II van artikel 4.

In 2001 werd het eerste Warenwetbesluit Kruidenpreparaten van kracht met als doel de bescherming van de volksgezondheid. In het besluit werden voorwaarden gesteld aan kruidenpreparaten, waaronder kruidenextracten, die bestemd zijn voor humaan gebruik. In dit besluit gaat het niet om artikelen die vallen onder de Wet op de Geneesmiddelvoorziening, Warenwetbesluit Cosmetische producten, Warenwetbesluit Specerijen + Kruiden en Warenwetbesluit Aroma’s.

De wet verbiedt het om kruidenpreparaten te verhandelen of te maken als ze niet aan de eisen van het Warenwetbesluit voldoen. Ook mogen er geen kruidenpreparaten verhandeld worden die materiaal van planten bevatten die in onderdeel III van de bijlage staan, omdat deze planten toxische bestanddelen bevatten.

Hier vindt u meer informatie over de wijzigingen in het Warenwetbesluit Kruidenpreparaten.