/

Pyrrolizidine-alkaloïden in de kruidenteeltpraktijk

Opinie

Uit: Nederlands Tijdschrift voor Fytotherapie 2020 nr. 1

HANS VAN DER MHEEN | De primaire productie van medicinale en aromatische kruidengewassen wordt in toenemende mate geconfronteerd met door afnemers aangescherpte kwaliteitsnormen met betrekking tot ‘contaminanten’. Het begrip contaminanten loopt daarbij uiteen van maximum residu levels van gewasbeschermingsmiddelen tot normen voor wat betreft de belasting met zware metalen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s), allergenen en chloraten. Dit wordt gedreven door een combinatie van een toenemend bewustzijn (en bezorgdheid) over de gezondheidsaspecten van voedingsmiddelen en de voortdurend verbeterende chemische analysetechnieken.

De aandacht voor de aanwezigheid van pyrrolizidine-alkaloïden (PA’s) is relatief recent. PA’s zijn een groep van levertoxische verbindingen die in diverse soorten van een aantal specifieke plantenfamilies voorkomen (zie het artikel over PA’s op pagina 7). Hoewel er in de plantenwereld een veelvoud aan PA’s voorkomt, zijn er inmiddels zo’n 17 tot 35 specifieke PA’s in beeld die waar mogelijk uit de voedselketen geweerd zouden moeten worden. Voor wat betreft de PA-contaminatie richt de aandacht zich tot nu toe voornamelijk op botanicals. Dit zijn medicinale en aromatische gewassen en specerijen die als zodanig of als grondstof gebruikt worden voor kruidentheeën, farmaceutische producten of in voedingssupplementen (nutraceuticals). Mogelijk is er vooral aandacht voor botanicals omdat aan deze producten vaak een gezondheidsbevorderende werking wordt toegeschreven en ze daarom van onberispelijke kwaliteit dienen te zijn. Een tweede aspect is dat het veelal gaat om gedroogd materiaal, dat vaak lang in de keten verblijft of verschillende stadia van verwerking kent, waarbij herhaalde kwaliteitsanalyses mogelijk en gebruikelijk zijn.

De (in meerdere of mindere mate) toxische PA’s bevinden zich voornamelijk in een aantal kruidachtige planten van een beperkt aantal plantenfamilies. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om (on)kruiden uit de families van de Asteraeceae (klein kruiskruid, koninginnekruid, klein hoefblad en gewone margriet) en de Boraginaceae (smeerwortel, slangenkruid, komkommerkruid, veldhondstong, vergeet-mij-nietje en Europese heliotroop). Het merendeel van deze kruidachtige gewassen komt in Europa wijdverspreid in de natuur voor, en dus ook vaak als (on)kruid op de akkers waar kruidenproducties plaatsvinden. Contaminatie van het oogstproduct van productiekruiden (kruid, blad, bloem, zaad of wortel) met pyrrolizidinehoudende onkruiden kan leiden tot overschrijdingen van de PA-gehaltes in het uiteindelijke oogstproduct.

EUROPESE NORMERINGEN

Omdat pas de laatste jaren het gevaar van de PA’s beter onderkend wordt, is de regelgeving nog in ontwikkeling. Het aantal toxicologische studies is klein en beperkt zich tot enkele specifieke PA’s. Door de verschillende vak- en belangenorganisaties, wordt er op een eigen manier tegen de PA-normering aangekeken. Het Duitse Bundesinstitut für Arzneimittel und Medizinprodukte heeft in 2016 een PA-limiet (als som van 28 gedefinieerde PA’s) gebaseerd op een blootstelling/inname van 1 μg/ persoon/dag als margin of exposure vastgesteld voor kruidentheeën en farmaceutische producten. Voor farmaceutische producten werd geadviseerd om deze norm in drie jaar tijd aan te scherpen tot 0,35 μg/persoon/dag. Het Herbal Medicinal Product Committee binnen de European Medicines Agency is hierin meegegaan, waardoor dit advies als officiële regelgeving binnen Europa voorligt voor accordering door het Europese parlement. De voorgestelde aanscherpingstermijn naar 0,35 μg/dag is overigens inmiddels verlengd tot mei 2021.

Vanuit de organisaties voor specerijen (European Spice Association) en voedingssupplementen (Food Supplements Europe) is voorlopig uitgegaan van 400 μg/kg te gebruiken botanicals respectievelijk geformuleerd eindproduct.

Voor kruidentelers als primaire producenten is het lastig om proactief aan deze normen te kunnen voldoen, met name als het gaat om kruidenproducties voor theeën of opwerking tot farmaceutische preparaten. Het is duidelijk dat een norm die uitgedrukt wordt in μg/kg extreem laag is (ppb; parts per billion). Maar nog moeilijker is het om een norm die gebaseerd is op de dagdosis per persoon terug te vertalen naar een maximium residue level (MRL) in het geoogste en daarna veelal gedroogde kruidenproduct. Want hoeveel kamille of melisse wordt er voor de bereiding van een kruidenthee gebruikt en hoeveel wordt daarvan vervolgens dagelijks gedronken? Wat is de hoeveelheid kruid als grondstof voor een (fyto)farmaceutische formulering, en wat is daarvan de dagelijkse inname?

AFBEELDING
1 | Europese heliotroop (Heliotropium europaeum). 
Foto Stefan Lefnaer
AFBEELDING 1 | Europese heliotroop (Heliotropium europaeum). Foto Stefan Lefnaer
AFBEELDING 2 | Jacobskruiskruid (Jacobaea vulgaris).
Foto Gouwenaar
AFBEELDING 2 | Jacobskruiskruid (Jacobaea vulgaris). Foto Gouwenaar

De norm die gesteld is voor voedingssupplementen is voor de kruidenteler vaak ook een black box omdat de hoeveelheid en formulering (vaak in extractvorm) van het eindproduct moeilijk naar een MRL voor de grondstof kunnen worden teruggerekend. In die zin is een aan de grondstof gestelde MRL-norm, zoals bij specerijen, het meest duidelijk en praktisch hanteerbaar. Deze norm is weliswaar veel strenger (want in μg/kg), maar vergelijkbaar met de normstelling zoals die ook wordt gehanteerd bij pesticidenresiduen, al gaat het daar om mg/kg (ppm; parts per million).

Er zijn nog te weinig gegevens over welke consequenties deze normen voor theeën en farmaceutische producten hebben voor wat betreft de normering van het PA-gehalte van de grondstof. Een Duits verwerkingsbedrijf heeft voor een aantal producten ‘kritieke PA-niveaus’ als limiet geformuleerd. Voor kamille komt dit bijvoorbeeld neer op 270 μg/kg, terwijl voor pepermunt en venkel kritieke PA-niveaus van respectievelijk 120 en 110 μg/ kg worden aangehouden. Deze gehaltes zijn, als aan te houden kritieke waarden, laag – lager dan de 400 μg/kg norm voor specerijen. Het feit dat er bij kruidenproducties veelal wordt gedroogd, maakt de norm nog kritischer vanwege de concentratie van de PA’s in het materiaal na het droogproces.

VOLOP ONDUIDELIJKHEID

In een NVWA-controle in 2019 van sint-janskruidproducten op de Nederlandse markt werden PA-gehaltes van 2-4000 μg/kg gevonden. In oregano die verkrijgbaar was op de Duitse markt werd in twee monsters een PA-belasting van 11.000 en 32.000 μg/ kg geconstateerd. Volop onduidelijkheid dus, met de vraag of het in deze gevallen gaat om extreme of realistisch te verwachten waarden. In praktijkmonsters van peterselie werden waarden gevonden van 0 μg/kg tot 310 μg ug/kg, maar in sommige gevallen ook het tienvoudige daarvan. Omdat de PA’s afkomstig zijn van meegeoogste onkruiden is de belasting niet homogeen in het oogstproduct verdeeld. Deze zogenaamde spot-contaminatie stelt specifieke eisen aan de bemonsteringsmethode. Naar analogie van de bemonstering op Salmonella-besmetting zou moeten worden uitgegaan van minimaal vijf (relatief grote) monsters per batch. Het is natuurlijk belangrijk om betrouwbare analyseresultaten te verkrijgen.

De Europese kruidenproducentenorganisatie EUROPAM stelt voor kruiden (vers, gevroren of droog), voedingssupplementen, rooibos en komijnzaad een voorlopige norm van 400 μg/kg voor, en 200 μg/kg voor overige ‘kruidenthee-achtige’ producten. EUROPAM vraagt aan haar leden medewerking voor een goede data-inventarisatie van praktijkmonsters, op basis waarvan tot een realistische normering gekomen kan worden. De Italiaanse lidorganisatie FIPPO vindt dat er een norm gesteld kan worden van 1000 μg/kg (= 1 ppm) voor primaire producties.

Duidelijk is dat er een PA-normering komt en dat die voor praktische kruidentelers al snel (te) streng en niet eenvoudig realistisch haalbaar zal blijken te zijn. Het is echter belangrijk dat telers de risico’s van contaminatie bij de oogst onder ogen zien en er alles aan doen om hun velden schoon te houden van PA-bevattende onkruiden. Enkele PA-bevattende planten zoals Senecio vulgaris (klein kruiskruid) per hectare kunnen een volledige kruidenoogst tot boven de norm belasten. In een pragmatische benadering vanuit de good agricultural and collecting practices- methodiek wordt gesteld dat tien tot twintig Senecio-planten per hectare nog acceptabel kunnen zijn, maar dat meer dan vijftig planten per hectare te veel is. Men moet er bedacht op zijn dat er zelfs vanuit de bodem PA’s opgenomen kunnen worden, bijvoorbeeld bij mulching* met PA-houdende onkruiden. Bij de tendens om akkerranden in te zaaien met bloemstroken/bijenweides moet bedacht worden dat van daaruit ook PA-houdende onkruiden naar het veld kunnen migreren. Intussen worden de toegelaten chemische bestrijdingsmogelijkheden in kruidengewassen (vanuit het oogpunt van milieubelasting en pesticidenresiduen in het oogstproduct) steeds verder beperkt, waardoor de nadruk in de kruidenteeltproductie komt te liggen op handmatige en mechanische onkruidbeheersing. Dit werkt uiteraard kostenverhogend. De afnemers en kruidenverwerkende industrie moeten er daarom voor zorgen dat deze meerkosten vanwege de strenge PA-normering in een hogere productprijs resulteren.

Er is nog veel onduidelijkheid over de vaststelling en de haalbaarheid van de PA-normen voor kruidenproducties, ook in het licht van de mate van toxiciteit van (de verschillende) PA’s en de normering (die deels nog gebaseerd is op dagelijkse inname). Het is van belang dat kruidenproducenten en de industrie op basis van aan te leveren praktijkdata proberen om de normen in de uiteindelijk vast te stellen Europese wetgeving te baseren op MRL-waarden van de grondstof in de vorm van realistisch haalbare niveaus. Deze niveaus zouden een praktisch haalbare landbouwkundige productie van de grondstof mogelijk moeten maken en de gezondheidseffecten van de gebruikers/consumenten niet in de weg mogen staan.

* Mulching is een Engelse term die ‘bodembedekking’ betekent, en die inhoudt dat de bodem toegedekt wordt met organisch (vaak gemaaid) materiaal.

AUTEURSGEGEVENS | Ing. H. (Hans) van der Mheen heeft een kruiden(zaad-)teeltbedrijf in Elburg en werkt parttime voor VNK BV in Biddinghuizen, de belangrijkste Nederlandse kruidendrogerij en kruidenverwerker die haar grondstoffen op contractbasis akkerbouwmatig door telers laat produceren. VNK is actief binnen de Europese kruidenproducentenorganisatie EUROPAM. Reacties naar: hansvdmheen@hetnet.nl.